●● Op de Joodse (Israëlitische) begraafplaats aan de Moesstraat in Groningen staan twee aandoenlijk grafstenen van twee zeer jong gestorven kinderen. Die grafstenen leiden, na enig onderzoek, naar het Modehuis Gerzon en naar de vroegere Joodse buurt in Groningen.

Het zijn de grafstenen van een broertje en zusje: Jozef Gerzon (1901-1902) en Johanna Rebecca Gerzon (1895-1896). De graven liggen dicht tegen de heg vanaf de ingang aan de rechterkant op de Joodse begraafplaats (officieel Israëlitische begraafplaats) aan de Moesstraat in Groningen.

Grafzerken van de jong gestorven kinderen Gerzon.

Grafzerken van de jong gestorven kinderen Gerzon.

Uit informatie op internet blijken zij kinderen te zijn van Maurits Gerzon en Estella Gerzon – Schaap. Vervolgens bleek dat deze Maurits Gerzon, samen met zijn broer Jozef Gerzon, een koosjere vleeswarenfabriek hadden gedreven onder de naam ‘Gerzon’s Vleeschconservenfabriek’ aan het Gedempte Boterdiep in Groningen.

In 1910 werd zaak omgezet in ‘NV Gerzon’s vleeschconservenfabriek v/h Weduwe Gerzon’. Het bedrijf was succesvol: in 1914 telde het 77 werknemers en ontstonden er plannen voor de bouw van een groter bedrijfspand. In 1916 verrees een fraai nieuw pand aan het Gedempte Boterdiep 71 dat tegenwoordig bekend staat onder de naam (Poppodium) Simplon. De naam Simplon is afgeleid van de laatste fabrikant die in het gebouw gevestigd was. Die fabriceerde o.a. regenkleding en bedrijfskleding onder de naam Simplon.

Voormalige ‘Vleeschconservenfabriek v/h Weduwe Gerzon’ thans Poppodium Simplon.

Voormalige ‘Vleeschconservenfabriek v/h Weduwe Gerzon’ thans Poppodium Simplon.

Twee broers: Eduard Gerzon en Lion Gerzon

De twee hierboven genoemde broers Maurits en Jozef hadden nog twee broers die bekend werden in Nederland. Dat waren Eduard Gerzon en Lion Gerzon. De moeder van het gezin Gerzon was Sara Gerzon – Schaap; hun vader heette Juda Gerzon. Juda overleed op 55-jarige leeftijd en liet zijn vrouw achter met vijf zoons en drie dochters. Moeder Sara dreef daarna de slagerswinkel in de Oude Ebbingestraat in Groningen die slechts met moeite in stand bleef. De kinderen moesten dan ook flink meewerken en de zoons werden daarom regelmatig naar de veemarkt gestuurd om een koe te halen. Ook moesten ze vlees bezorgen bij klanten. De broers Maurits en Jozef werden (zie hierboven) uiteindelijk succesvol in de vleeshandel.

Grondleggers van Modehuis Gebroeders Gerzon

Hun broers Eduard Gerzon (1867 – 1935) en Lion Gerzon (1867 – 1929) kwamen in de textielhandel terecht en werden nadien de grondleggers van Modehuis Gebroeders Gerzon dat filialen zou krijgen in heel Nederland en zelfs in Nederlands-Indië.

Eduard Gerzon (1867 – 1935)

Eduard Gerzon (1867 – 1935) 

Lion Gerzon (1867 – 1929)

Lion Gerzon (1867 – 1929)

Naast de vier filialen in Nederlands-Indië en de vier winkels in Amsterdam waar de Gerzon-broeders begonnen, kwamen er ook filialen in Groningen (1896), Rotterdam (1896), Haarlem (1898), Utrecht (1903), Den Haag (1904), Arnhem (1908), Leiden (1909), Leeuwarden (1924), Dordrecht (1926), Nijmegen (1931), Hilversum (1932) en Tilburg (1939).

De vestiging van filiaal Gerzon in Groningen in 1896

Het zou voor de hand liggen, vond men, dat het eerste filiaal van Modehuis Gerzon zou worden gesticht in de nabijheid van Amsterdam waar de Gerzons hun eerste winkels hadden gesticht en heel succesvol waren. Maar verrassend genoeg werd in het ‘afgelegen Groningen’ voor de eerste filiaal-vestiging gekozen.

Waarschijnlijk hebben hierbij andere dan alleen maar zakelijke overwegingen een rol gespeeld. De broers Eduard en Lion Gerzon waren namelijk zeer gehecht aan hun geboortestad waar ze als schooljongens vlees rondbrachten en koeien vanaf de veemarkt haalden voor de slagerswinkel van hun vader en moeder. En in de schaduw van de ‘Olle Grieze’ [de Martinitoren] hadden ze het ‘fiere Groninger dialect’ geleerd en hun gevoel voor de ‘kostelijke Groninger humor’ ontwikkeld, waarvan beiden hun leven lang bleven genieten. Vooral Eduard Gerzon kwam om die reden graag en met regelmaat naar Groningen.

Daarnaast had vader Juda hen (evenals hun broers Maurits en Jozef), overeenkomstig de wijze lessen van Salomo, geleerd ‘hunne handen niet te verplichten bij een vreemde’ en ‘dat een naarstig mens rijk wordt’ en ‘het goed des rijken hem een sterke vesting zal zijn’. De groei van het Modehuis Gerzon zou, mede daardoor, beginnen in de stad Groningen die binnen de familie zo’n grote rol had gespeeld.

Het eerste filiaal uit 1896 vlak voor de verbouwing.<br> – Kopers staan te wachten op de opruiming

Het eerste filiaal uit 1896 vlak voor de verbouwing.
 – Kopers staan te wachten op de opruiming

In aanwezigheid van hun hoogbejaarde moeder Sara Gerzon-Schaap werd in het voorjaar van 1896 het eerste filiaal van Gebroeders Gerzon geopend in het pand Vismarkt 11 te Groningen. Het front van de winkel toonde twee hoge uitstalkasten, gescheiden door een dubbele deur met daarboven in fraaie letters op een zwarte plaat: Gebr. Gerzon.

Voor de opening plaatsvond deed zich een probleem voor. De beoogde 27-jarige bedrijfsleidster bleek namelijk verloofd. Maar wilde zij de woning boven de winkel betrekken, dan zou zij eerst moeten trouwen. Toen beide verloofden het daar mee eens waren, volgde de aanstelling van het echtpaar M. van Santen tot bedrijfsleiders.

Lion Gerzon schonk hen een complete keukenuitrusting, zijn vrouw Emma huurde persoonlijk het dienstmeisje in. Eduard Gerzon schonk hen het prachtige damast, dat bijna zestig jaar later nog steeds de trots van mevrouw Van Santen was.

Het Modehuis Gerzon na de verbouwing in 1912.

Het Modehuis Gerzon na de verbouwing in 1912.

In het eerste seizoen werden er al 1.146 zijden blouses verkocht. De Groningse dames noemden ze: ‘rheumatiekblouses’. Mevrouw Van Santen stond in de winkel en werkte tot op hoge leeftijd volgens de stelregel: ‘Geen klant de deur uit zonder iets gekocht te hebben’. Haar man bracht de bestellingen weg en deed het administratieve werk.

Vaak kregen zij bezoek van de broers Gerzon en op hun beurt bezochten zij hen met regelmaat in Amsterdam. Hoewel wederzijds een zekere distantie in acht werd genomen, stelde ‘meneer Lion’ het bij zulke gelegenheden op prijs, dat zijn dochters voor mevrouw Van Santen piano speelden. Vaak liet hij daarbij ook zichzelf horen op de viool of de fluit.

Het filiaal Groningen groeide snel en telde onder zijn cliënten de notabelen van de stad en de vrouwen en dochters van de rijke boeren uit het Groninger land. Dat er in het luxueuze villadorp Haren wel eens op zaterdagavond een rolletje zij van zes cent moest worden thuis bezorgd, was in die dagen niet ongewoon. In 1912 werd de zaak belangrijk uitgebreid.

Het Modehuis Gerzon – Vismarkt 11 in 1936.

Het Modehuis Gerzon – Vismarkt 11 in 1936.

In 1936 werd op de Vismarkt een nieuw groot winkelpand officieel geopend door burgemeester Mr. Cort van der Linden. De Groningse middenstand liet zijn afgunstig ongenoegen daarover duidelijk blijken. Ook van de kant van het publiek was men er niet gelukkig mee, dat de hoogste stedelijke autoriteit zijn hoge ambt omlaag haalde door het openen van een winkel. ‘Burgemeister mout dat nait doun’, vonden zij.

Hoog in de gevel van het pand aan de Vismarkt 11 is (nog steeds!) hun handelsmerk te zien: een wereldbol met linksonder een G en rechtsonder een G. Die letters staan voor Gebroeders Gerzon.

De Tweede Wereldoorlog

Na de Duitse inval in Nederland volgde de neergang van het Modehuis Gerzon. Op 12 februari 1941 werd het bedrijf ‘overgenomen’ door een Duitse ‘Verwalter’ en enige NSB-ers. Wat ‘met moeite en liefde was opgebouwd’, werd ‘gemakkelijk en met haat’ afgebroken. Tijdens de bezetting kwamen zes van de zeven Joodse personeelsleden van Groningse filiaal in concentratiekampen om het leven.

Toen de voorraad stoffen en confectie na Dolle Dinsdag (5 september 1944) op last van de Duitsers naar Duitsland moest worden overgebracht, verstopte het Groningse personeel balen stof onder de brandstof voor de kachel. De laatste maanden van de oorlog had Gerzon haar klanten niets anders te bieden dan wat speelgoed uit een plaatselijk fabriekje.

Tot eer van de ‘oudste dochter in Groningen’ moet worden vermeld, dat zij de collega’s in Amsterdam in de Hongerwinter ‘weldadig’ heeft geholpen. Koffers met ‘modeartikelen’ werden per beurtschipper naar Amsterdam gevaren. Op zekere dag vroeg de schipper  of er iemand naar het schip wilde komen, want de bodem van een paar koffers waren los geraakt en de ‘modeartikelen’ rolden door het ruim. Die modeartikelen bleken aardappels te zijn.

Een jaar na de oorlog kreeg het inmiddels nieuw en modern ingerichte en weer goed voorziene filiaal aan de Vismarkt bezoek van prinses Juliana. De winkel was een schitterend ingerichte luxueuze damesmodewinkel geworden met een majestueuze trap achterin de zaak. Daar bevond zich ook een fraaie lift waarmee de clientèle naar de eerste verdieping werd gebracht. Uiteraard geschiedde de bediening van de lift door een liftbediende – dat was trouwens ook het geval was bij de andere grote modezaken in Groningen. In 1964 werd er een Gerzon-herenmodewinkel gevestigd aan de Vismarkt 1.

De Herenmodezaak Gerzon –  Vismarkt / Guldenstraat.<br>Links is de damesmodewinkel van Gerzon te zien.

De Herenmodezaak Gerzon –  Vismarkt / Guldenstraat.
Links is de damesmodewinkel van Gerzon te zien.

Eind 1970 bleek het Gerzon concern grote financiële problemen te hebben. Na een aantal mislukte pogingen om te redden wat er te redden viel, werden begin 70-er jaren van de vorige eeuw alle nog bestaande Gerzon zaken voorgoed gesloten, waarmee de bekende naam Gerzon uit het straatbeeld verdween.

Herinneringen aan de Joodse buurt Groningen
– Folkingestraat, Folkingedwarsstraat en de Nieuwstad

In het boek van Kessels, bron voor bovenstaand verhaal, wordt weinig vermeld over de Joodse achtergrond van de familie Gerzon. Hieronder een aanvulling.

Vader Judah Gerzon ontmoette in Groningen Sarah [haar oorspronkelijk naam was Saartje] Schaap die de dochter was van een slager. Schoonvader Schaap was bereid Judah Gerzon het slagersvak te leren. Bekend is dat Judah Gerzon een godvruchtig man was die om die reden de synagoge in de Folkingestraat bezocht. En ongetwijfeld had het gezin contacten in de Joodse buurt (in het Gronings: de Jeud’nbuurt) van Groningen die nabij de synagoge lag.

Daar komt nog bij dat Eduard en Lion Gerzon, ook al woonden ze niet meer in Groningen, regelmatig terugkeerden naar de stad in de schaduw van de ‘Olle Grieze’ [de Martinitoren] waar ze het ‘fiere Groninger dialect’ hadden geleerd en hun gevoel voor de ‘kostelijke Groninger humor’ hadden ontwikkeld. Ze zullen in hun jongensjaren vaak in de Joodse buurt hebben rondgelopen. Misschien hadden ze wel les gehad op de Joodse school. Hieronder een kennismaking met de Joodse buurt van Groningen.

De Joodse buurt van Groningen

Dit was de buurt waar Joodse Groningers lief en leed deelden, vaak levend onder armoedige omstandigheden. Dat was ook de wereld waarin Eduard en Lion Gerzon rondliepen toen ze jong waren.

 Nico Rost (1896 – 1967) is de schrijver van het boekje ‘De vrienden van m’n vader’ waarin hij deze wereld van voor de Tweede Wereldoorlog heeft vastgelegd. Het onderstaande artikel is mede gebaseerd op de verhalen van Nico Rost.

Armoede

In de jaren 1815 – 1914 was Nederland een rangen- en standensamenleving. Aangenomen wordt dat in de jaren 1850 tot 1914 ongeveer 4 tot 5% van de toenmalige Nederlandse bevolking behoorde tot de bovenlaag (de ‘rijken en gegoeden’). De middelste groep (de ‘middenstand’) telde zo’n 25 tot 30%. En de onderste groep (de ‘lagere standen’) omvatte zo’n 60 tot 70% van de bevolking.

Deze ‘lagere standen’ waren arme mensen die rond het bestaansminimum leefden. Men was arm als men ‘gebrek aan genoegzaam loon voor den arbeid, aan voedsel, kleding en huisvesting’ had. En rond 15 procentpunt van deze armen had kerkelijke bedeling (een gunst), bijstand van de gemeentelijke armenkas of particuliere ondersteuning (ook gunsten) nodig om in leven te blijven.

Het aantal inwoners van Nederland was (afgerond) in 1795: 2.100.000 – in 1840 was dat 2.900.000  – in 1870 steeg dat tot 3.600.000 en in 1900 tot 5.100.000. Dat betekende dat rond 1900 zo’n 765.000 mensen in Nederland niet anders dan met grote moeite het hoofd boven water konden houden. Tot deze armlastigen behoorden ook de vele arme Joden uit de Joodse buurt in Groningen.     

De Joodse buurt van Groningen

Deze buurt werd, grofweg genomen, begrensd door de Vismarkt, Herestraat, Zuiderdiep en Munnekeholm. De belangrijkste straten waren de Folkingestraat met de Nieuwstad met, in het verlengde daarvan, de Torenstraat.

Kaart uit 1866 met de Joodse buurt.

Kaart uit 1866 met de Joodse buurt.

Op deze plattegrond is de ligging van de Groningse Joodse buurt goed te zien. Zo ook de achterplaatsen binnen de huizenblokken en de Nieuwstad met in het verlengde daarvan de Torenstraat (tussen Schoolholm en Munnikeholm gelegen) en de Folkingedwarsstraat die in 1866 nog de naam Woerdje droeg. De achterplaatsen en de krotwoningen zijn inmiddels verdwenen. De synagoge van Groningen ligt in het laatste gedeelte van de Folkingestraat aangegeven met een onduidelijk cijfer 2.

De Nieuwstad in 1936.

De Nieuwstad in 1936.

De meeste niet-Joodse Groningers kenden de Folkingestraat wel waar ze zondags lekkere verse galletjes of verse cadetten met pekelvlees konden kopen. Maar ze hebben er toentertijd nauwelijks kennis van gehad dat er in die nabijgelegen straten met zijn vele stegen, gangetjes en achterplaatsen, een overwegend arme Joodse bevolking dicht op elkaar woonde. Zo ver kwamen ze bijna nooit.

Toch werden Groningers in 1933 in het decembernummer van Het Noorden in Woord en Beeld uitgenodigd om de Folkingestraat en de Nieuwstad eens te verkennen:

“Ook Groningen heeft zijn typische buurten waar reeds eeuwen her de Israëlitische bevolking haar stempel op drukte, zoo goed als Amsterdam, al is natuurlijk alles van veel kleinere omvang. Ieder die wandelt langs de Folkingestraat met het nieuwe plaveisel, door de Folkingedwarsstraat met zijn gangen, de Nieuwstad, de Torenstraat, het Schoolholm zal aan de namen, de winkels, de roerigheid buitenshuis en het volkstype onmiddellijk merken dat hij hier in ’t centrum is van het Joodsche kerkelijk leven.

De Folkingestraat in de 30-er jaren.

De Folkingestraat in de 30-er jaren.

Bij goed weer zitten of staan de groepjes vertrouwelijk buiten op het smalle trottoir en tot gemoedelijke buurpraatjes is men immer geneigd. ‘Ruzie’ komt natuurlijk nooit voor hè? Een beeld van dat knusse bijeenzijn geeft bijvoorbeeld het gedeelte tusschen de Folkingestraat en het Schoolholm, waar ook de openbare school staat, die naar de traditie aan de kinderen van vele geslachten de noodige maatschappelijke kennis heeft gebracht, als een voorbeeld van verdraagzaamheid en wederzijdsche waardering van ras en psyche.

De Folkingestraat in de 30-er jaren.

Groepje buren op binnenplaats De Plaats in 1926.

De Nieuwstad heeft ook de bureaux van het rabbinaat; de Folkingestraat bezit de prachtige synagoge, die met haar koepels een mooi wederom zeer typeerend aspect geeft aan den buurt. Wij willen alle woningtoestanden die men ziet terzijde van dit complex van straten tusschen Vischmarkt en Zuiderdiep waarlijk niet verdedigen, maar toch trekt veel ouds en schilderachtigs onze aandacht.”

Scheldwoorden

Voor de Groningers waren Folkingestraat en omgeving Joods maar dat ’typische’ karakter werd klaarblijkelijk gewaardeerd al waren vervelende incidenten niet uitgesloten. Zo was ‘jeude’ een regelmatig gebruikt scheldwoord. Maar ook konden destijds en na de oorlog sociaaldemocraten, protestanten en katholieken soms niet zo goed met elkaar overweg en het is de vraag hoe diep die anti-joodse gevoelens waren.

Ook na de oorlog werden begrippen als ‘boeze jeude die je kwam halen’ (als dreigement gebruikt als een kind niet wilde luisteren), ‘olle jeude’ of ‘bist net ’n jeude’ (goedmoedig gebruikt als iemand bij onderhandelingen over geld het onderste uit de kan wilde) en ‘brillejeude’ (ook niet joodse kinderen werden zo uitgescholden) nog regelmatig gebruikt net als andere benamingen, die tegenwoordig niet meer getolereerd worden.    

‘Gestage armoede’

In de Folkingestraat huisde de kleine middenstand: kooplieden, winkeliers, bakkers, en slagers naast armere bewoners die hun onderkomen hadden op de achterplaatsen die toegankelijk waren via de vele smalle doorgangen tussen de huizen. Meer welgesteld geraakte Joden vertrokken naar betere buurten als de Singels, de Schildersbuurt, de Oranjewijk en Helpman waar ‘licht, ruimte en lucht’ was.

Maar vooral op de Nieuwstad en in het verlengde daarvan de Torenstraat met hun achterplaatsen, was sprake van ‘gestage armoede’. De meeste mensen daar woonden in eenkamerwoningen met twee bedsteden met vaak grote gezinnen waar eigen sanitair en waterleiding ontbraken. Er waren hiervoor wel publieke voorzieningen maar die waren er weinig en vooral smerig en onhygiënisch.

De mensen woonden in achterplaatsen met o.a. de naam De Plaats en in nauwe gangen als de Zwaantjes-, Marcus- of Eikelboomgang die zo smal waren dat een voorbijganger ze alleen maar met moeite kon ontdekken.

De Torenstraat in 1928.

De Torenstraat in 1928.

Ze sliepen daar in bedompte bedsteden, op de grond of op een zolder, waar het lekte en die ze alleen met een ladder konden bereiken en waar het herhaaldelijk wemelde van ratten, muizen en ander kruipend ongedierte. Kapotte ramen waren soms vervangen door papier of vodden. Men noemde dit dan ook een ‘gribusbuurt’.

Op de Nieuwstad en in de Torenstraat woonden vooral arme Joden die zich voornamelijk met de kleinhandel in leven moesten houden. Daar leefden scharenslijpers, mattenmakers, marskramers, veekopers, boendermakers, marktkooplui, fruitverkopers en vishandelaren die met daghandel hun geld probeerden te verdienen. 

Een zijsteeg van de Torenstraat in 1937.

Een zijsteeg van de Torenstraat in 1937.

Die ‘handel’ bestond o.a. uit de in- en verkoop van lompen en (tweedehands) kleding. Dag in dag uit duwden de lompenhandelaren, die zich koopman noemden, hun gammele handkar, luid ‘Handul … Handul! roepend, door de straten van Groningen.  

Zo was er een bewoner die versleten tapijten inkocht langs de huizen. ‘s Avonds rolde hij zijn oogst, als die er tenminste was, op de straat uit elkaar om er samen met zijn vrouw de minst versleten delen uit te snijden. Die werden dan dinsdags op de markt als ‘kleedjes’ verkocht – als ze al verkocht werden. De rest ging naar de lompengroothandel die daar meer aan verdiende dan hij. 

De geur van armoede

En altijd hing er over dat buurtje de stank van oud roest en lompen. Ook stonk het er alles doordringend naar huiden en vellen van dieren, vaak hazen-, molle- en konijnenvellen. En daar zaten kippenslachters en kippenplukkers.

Kippenplukkers op de Nieuwstad.

Kippenplukkers op de Nieuwstad.

De allerarmste Joden (‘dalles-joden’)  werkten daar in die bedorven zoetweeë lijkenlucht te midden van duizenden muggen en vliegen. Dus droegen ze die vunzige geur mee naar hun krotten, die nauwelijks gelucht konden worden. Daar heerste de geur van armoede.

Kinderen

In de Joodse buurt krioelden kris kras honderden bleke kinderen, die wekenlang, misschien zelfs maandenlang, deze sloppen, stegen en gangen niet of nauwelijks verlieten. Door de armoede kregen maar een paar van hen op sabbat, van vader of moeder, van ooms of tantes of van hun grootouders, uit één van de winkeltjes in de Folkingestraat of het Schoolholm een zakje dadels uit het blok gekapt, een paar schimmelige vijgen, een handjevol pinda’s, die  ‘sausemangelen’ (Curaçaose amandelen) werden genoemd of een ‘klitschklos’ (een brok aan elkaar klevende zuurtjes).

De Folkingedwarsstraat feestelijk in gebruik genomen in 1930.

De Folkingedwarsstraat na renovatie feestelijk in gebruik genomen in 1930.

Joodse filantropie

Tientallen arme Joodse gezinnen werden in leven gehouden dankzij de hulp van Joodse verenigingen die uitsluitend tot doel hadden de armoede in deze buurt te lenigen. Daar waren de verenigingen als Saadath Joledoth, Berith Avraham, Mesiwath Nefes, Halboschas Aroemim, Teréf Goulim, G’mozer Dallim of Bikkur Golim Kabranim.

Nico Rost schrijft hierover: ‘Filantropie brengt nimmer volledige genezing, brengt de oorzaak dezer ellende niet uit de wereld, doch deze mensen gaven rijkelijk in een tijd, waarin zo velen in Groningen in gebreke bleven. Zij gaven uit de diepe vroomheid van hun Joodse geloof en wilden niet, dat er over gesproken werd.’

Maar te midden van al deze ellende, aldus Rost, heerste er ook een zekere mate van tevredenheid, men ontdekte er de vrome blijdschap en de prachtige humor te midden van armoede, dood en leven.

Terugblik op de Tweede Wereldoorlog

Zo leefde de Joodse buurt verder, dag in dag uit, jaar in jaar uit. Totdat de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Nico Rost besluit het boekje (in 1956) met een terugblik op die barbaarse tijd:   

– Nu zijn de meeste Joodse Groningers in Polen een wrede dood gestorven. Nu is de Grote Synagoge, eens hun trots, een chemische wasinrichting geworden. Nu dampt een ketel op de plaats, waar eens de heilige wetsrollen werden bewaard.

– Nu zijn de laatste rabbijnen van Groningen Bernard Davids en Simon Dasberg, in Bergen-Belsen van honger en uitputting gestorven aan ‘Kraislaufschwache’, zoals hun beulen misdadig formuleerden.

– Nu herinnert op de Nieuwstad en in de Folkingestraat waar ze eens woonden en werkten niets meer aan hen, zelfs geen monument, gesticht door de medeburgers van de stad ter hunner nagedachtenis.

– Nu schijnt de herinnering aan de grootste misdaad, ooit in Groningen bedreven, aan de moord op meer dan 3.000 stadsgenoten, reeds weggevaagd te zijn uit het geheugen van hun medeburgers.

– Schokkender gebeurtenissen van historische betekenis zijn er niet voorgekomen in de geschiedenis der Joodse Groningers. Op die ene na, zó schokkend, zó ingrijpend en zó misdadig, dat die bijna een einde maakte aan hun geschiedenis.

– De herinnering aan deze massamoord, bedreven tijdens de bezetting van ons land, door het Duitse fascisme, mag nimmer inslapen en moet steeds wakker worden gehouden uit eerbied voor de slachtoffers en als waarschuwing voor de levenden en voor allen die na ons komen.

Naschrift

Nico Rost overleed in 1967. Hij heeft niet kunnen bevroeden dat de Groningse synagoge weer in volle luister is hersteld en dat er aan de Hereweg in 1977, zij het heel erg laat en met heel veel moeite, een Joods monument is onthuld.

Detail Joods Monument Hereweg Groningen

Detail Joods Monument Hereweg Groningen
(Bron Wutsje / Wikimedia Commons / CC-BY-SAWikimedia Commons).

Geraadpleegde literatuur

– Lies Ast-Boiten – De Folkingestraat
 – Geschiedenis van de Joodse Gemeenschap in Groningen.
– Jan A.W. Kessels – Het Huis Gerzon 1889 – 1964.
– Johan van Gelder – Terug van weggeweest.
– Getuigenissen over en uit Joods Groningen.
– Stefan van der Poel – Joodse stadjers.
De Joodse gemeenschap in de stad Groningen 1796 – 1945.
NB. Dit boek ‘Joodse Stadjers’ kan ik zeer aanbevelen!
– Nico Rost – De vrienden van m’n vader.
– Auke van de Woud – Koninkrijk vol sloppen.